Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
trekken
Hij trekt de slee.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.