Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
vermijden
Hij moet noten vermijden.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
schrijven
Hij schrijft een brief.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.