Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
produceren
We produceren onze eigen honing.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.