Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
huilen
Het kind huilt in het bad.
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.