Woordenlijst
Sloveens – Werkwoorden oefenen
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.