Woordenlijst
Arabisch – Werkwoorden oefenen
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
binnenkomen
Kom binnen!
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.