Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
vertrekken
De trein vertrekt.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.