Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
bidden
Hij bidt in stilte.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!