Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.