Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
samenwerken
We werken samen als een team.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.