Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
springen
Hij sprong in het water.
willen
Hij wil te veel!
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.