Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
knippen
De kapper knipt haar haar.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
schrijven
Hij schrijft een brief.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
dragen
De ezel draagt een zware last.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.