Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
denken
Je moet veel denken bij schaken.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!