Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
spellen
De kinderen leren spellen.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.