Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen
trainen
De hond wordt door haar getraind.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.