Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
reizen
We reizen graag door Europa.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.