Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
eten
De kippen eten de granen.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.