Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
verantwoordelijk zijn voor
De arts is verantwoordelijk voor de therapie.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
eten
Wat willen we vandaag eten?
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.