Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
kussen
Hij kust de baby.
trekken
Hij trekt de slee.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
draaien
Je mag naar links draaien.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.