Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
op handen zijn
Een ramp is op handen.
knippen
De kapper knipt haar haar.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
slapen
De baby slaapt.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.