Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
luisteren
Hij luistert naar haar.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
mengen
De schilder mengt de kleuren.