Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
wassen
De moeder wast haar kind.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.