Woordenlijst
Portugees (BR) – Werkwoorden oefenen
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
schrijven
Hij schrijft een brief.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.