Woordenlijst
Leer bijwoorden – Frans
presque
J‘ai presque réussi !
bijna
Ik raakte bijna!
pas
Je n‘aime pas le cactus.
niet
Ik hou niet van de cactus.
maintenant
Devrais-je l‘appeler maintenant ?
nu
Moet ik hem nu bellen?
loin
Il emporte la proie au loin.
weg
Hij draagt de prooi weg.
aussi
Le chien est aussi autorisé à s‘asseoir à la table.
ook
De hond mag ook aan tafel zitten.
en bas
Il tombe d‘en haut.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
quelque chose
Je vois quelque chose d‘intéressant!
iets
Ik zie iets interessants!
ensemble
Nous apprenons ensemble dans un petit groupe.
samen
We leren samen in een kleine groep.
avant
Elle était plus grosse avant qu‘aujourd‘hui.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
demain
Personne ne sait ce qui sera demain.
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
dehors
Nous mangeons dehors aujourd‘hui.
buiten
We eten vandaag buiten.