Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.