Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
vertrekken
De trein vertrekt.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.