Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
bedekken
Ze bedekt haar haar.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
vermijden
Hij moet noten vermijden.