Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
verlaten
De man vertrekt.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.