Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
geloven
Veel mensen geloven in God.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
kopen
Ze willen een huis kopen.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.