Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
wassen
De moeder wast haar kind.