Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
geloven
Veel mensen geloven in God.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
activeren
De rook activeerde het alarm.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.