Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.