Woordenlijst
Bosnisch – Werkwoorden oefenen
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.