Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.