Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
wassen
De moeder wast haar kind.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.