Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
produceren
We produceren onze eigen honing.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.