Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
genieten
Ze geniet van het leven.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
kijken
Ze kijkt door een gat.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.