Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
redden
De dokters konden zijn leven redden.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
binnenkomen
Kom binnen!
duwen
Ze duwen de man het water in.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.