Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)
lavar
A mãe lava seu filho.
wassen
De moeder wast haar kind.
jogar
Ele joga a bola na cesta.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
contratar
A empresa quer contratar mais pessoas.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
pintar
Eu pintei um lindo quadro para você!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
saltar fora
O peixe salta fora da água.
uitspringen
De vis springt uit het water.
partir
Nossos convidados de férias partiram ontem.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
causar
O álcool pode causar dores de cabeça.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
servir
Cães gostam de servir seus donos.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
bater
Os pais não devem bater nos seus filhos.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
contar
Ela conta as moedas.
tellen
Ze telt de munten.
imitar
A criança imita um avião.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.