Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.