Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
verhuizen
De buurman verhuist.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!