Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!