Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
instellen
Je moet de klok instellen.
doden
Ik zal de vlieg doden!
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
sturen
Ik stuur je een brief.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
reizen
We reizen graag door Europa.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.