Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.