Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
wachten
We moeten nog een maand wachten.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
huilen
Het kind huilt in het bad.
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.