Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
luisteren
Hij luistert naar haar.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
bereiden
Ze bereidt een taart.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.