Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
trekken
Hij trekt de slee.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
beginnen
De soldaten beginnen.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.