Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.