Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
willen
Hij wil te veel!
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
duwen
Ze duwen de man het water in.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.