Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
beginnen
De soldaten beginnen.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.