Woordenlijst
Roemeens – Werkwoorden oefenen
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
raden
Je moet raden wie ik ben!
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
vertrekken
De trein vertrekt.
meerijden
Mag ik met je meerijden?