Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
wachten
Ze wacht op de bus.