Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
ehitama
Lapsed ehitavad kõrget torni.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
määrama
Kuupäev määratakse.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
purju jääma
Ta jääb peaaegu iga õhtu purju.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
kirja panema
Peate parooli üles kirjutama!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
tagasi tulema
Bumerang tuli tagasi.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
puudutama
Ta puudutas teda õrnalt.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
valima
Õige valiku tegemine on raske.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
muutma
Tuli muutus roheliseks.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
välja jooksma
Ta jookseb uute kingadega välja.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
välja hüppama
Kala hüppab veest välja.
uitspringen
De vis springt uit het water.
kaotama
Oota, oled oma rahakoti kaotanud!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!