Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
pick up
We have to pick up all the apples.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
serve
Dogs like to serve their owners.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
open
The festival was opened with fireworks.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
serve
The chef is serving us himself today.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
get to know
Strange dogs want to get to know each other.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
speak
He speaks to his audience.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
remove
The craftsman removed the old tiles.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
demand
My grandchild demands a lot from me.
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
share
We need to learn to share our wealth.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
serve
The waiter serves the food.
serveren
De ober serveert het eten.
get by
She has to get by with little money.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.