Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits
dienen
Hunde wollen gern ihren Besitzern dienen.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
sich einigen
Die Nachbarn konnten sich bei der Farbe nicht einigen.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
schneiden
Die Friseuse schneidet ihr die Haare.
knippen
De kapper knipt haar haar.
schauen
Sie schaut durch ein Fernglas.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
erneuern
Der Maler will die Wandfarbe erneuern.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
verbessern
Sie will ihre Figur verbessern.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
verhüllen
Sie verhüllt ihr Gesicht.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
verringern
Du sparst Geld, wenn du die Raumtemperatur verringerst.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
aussterben
Viele Tiere sind heute ausgestorben.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
bezahlen
Sie bezahlte per Kreditkarte.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
nachdenken
Beim Schachspiel muss man viel nachdenken.
denken
Je moet veel denken bij schaken.