Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/17624512.webp
sich gewöhnen
Kinder müssen sich ans Zähneputzen gewöhnen.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
cms/verbs-webp/129945570.webp
erwidern
Sie erwiderte mit einer Frage.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
cms/verbs-webp/108556805.webp
herabsehen
Ich konnte vom Fenster auf den Strand herabsehen.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
cms/verbs-webp/114052356.webp
verbrennen
Das Fleisch darf nicht auf dem Grill verbrennen!
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
cms/verbs-webp/1502512.webp
lesen
Ohne Brille kann ich nicht lesen.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
cms/verbs-webp/93947253.webp
sterben
In Filmen sterben viele Menschen.
sterven
Veel mensen sterven in films.
cms/verbs-webp/123786066.webp
trinken
Sie trinkt Tee.
drinken
Ze drinkt thee.
cms/verbs-webp/110233879.webp
erstellen
Er hat ein Modell für das Haus erstellt.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
cms/verbs-webp/123947269.webp
überwachen
Hier wird alles mit Kameras überwacht.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
cms/verbs-webp/9435922.webp
näherkommen
Die Schnecken kommen einander näher.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
cms/verbs-webp/92145325.webp
gucken
Sie guckt durch ein Loch.
kijken
Ze kijkt door een gat.
cms/verbs-webp/110322800.webp
herziehen
Die Klassenkameraden ziehen über sie her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.