Woordenlijst
Leer bijwoorden – Duits
rein
Geht er rein oder raus?
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
ganztags
Die Mutter muss ganztags arbeiten.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
beinahe
Ich hätte beinahe getroffen!
bijna
Ik raakte bijna!
gratis
Sonnenenergie ist gratis.
gratis
Zonne-energie is gratis.
eben
Sie ist eben wach geworden.
net
Ze is net wakker geworden.
ziemlich
Sie ist ziemlich schlank.
behoorlijk
Ze is behoorlijk slank.
zu viel
Er hat immer zu viel gearbeitet.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
nicht
Ich mag den Kaktus nicht.
niet
Ik hou niet van de cactus.
herein
Die beiden kommen herein.
in
De twee komen binnen.
beispielsweise
Wie gefällt Ihnen beispielsweise diese Farbe?
bijvoorbeeld
Hoe vind je deze kleur, bijvoorbeeld?
oft
Tornados sieht man nicht oft.
vaak
Tornado‘s worden niet vaak gezien.