Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
drinken
Ze drinkt thee.
verhuizen
De buurman verhuist.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?