Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
schrijven
Hij schrijft een brief.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?