Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
springen
Hij sprong in het water.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.