Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/120200094.webp
blande
Du kan blande en sund salat med grøntsager.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
cms/verbs-webp/93169145.webp
tale
Han taler til sit publikum.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/65915168.webp
rasle
Bladene rasler under mine fødder.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
cms/verbs-webp/129403875.webp
ringe
Klokken ringer hver dag.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
cms/verbs-webp/41019722.webp
køre hjem
Efter shopping kører de to hjem.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
cms/verbs-webp/124046652.webp
komme først
Sundhed kommer altid først!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
cms/verbs-webp/43100258.webp
møde
Nogle gange mødes de i trappen.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
cms/verbs-webp/859238.webp
udøve
Hun udøver et usædvanligt erhverv.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
cms/verbs-webp/93947253.webp
Mange mennesker dør i film.
sterven
Veel mensen sterven in films.
cms/verbs-webp/94312776.webp
give væk
Hun giver sit hjerte væk.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
cms/verbs-webp/104135921.webp
gå ind
Han går ind i hotelværelset.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
cms/verbs-webp/102677982.webp
føle
Hun føler babyen i hendes mave.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.