Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
draaien
Ze draait het vlees.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.