Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
causar
O álcool pode causar dores de cabeça.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
mudar-se
Meu sobrinho está se mudando.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
reencontrar
Eles finalmente se reencontram.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
mencionar
O chefe mencionou que vai demiti-lo.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
abrir
A criança está abrindo seu presente.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
tocar
Ele a tocou ternamente.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
falar com
Alguém deveria falar com ele; ele está tão solitário.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
atrasar
O relógio está atrasado alguns minutos.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
pendurar
A rede pende do teto.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
perder
Espere, você perdeu sua carteira!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
testar
O carro está sendo testado na oficina.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.