Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
ajustar
Você tem que ajustar o relógio.
instellen
Je moet de klok instellen.
construir
Quando a Grande Muralha da China foi construída?
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
negociar
As pessoas negociam móveis usados.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
jogar para
Eles jogam a bola um para o outro.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
matar
Cuidado, você pode matar alguém com esse machado!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
passar
Às vezes, o tempo passa devagar.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pular
Ele pulou na água.
springen
Hij sprong in het water.
passar
Os estudantes passaram no exame.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
lidar
Tem-se que lidar com problemas.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
falar
Não se deve falar muito alto no cinema.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
levantar
O helicóptero levanta os dois homens.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.