beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
자제하다
너무 많은 돈을 쓸 수 없어; 나는 자제해야 한다.
recht hebben op
Ouderen hebben recht op een pensioen.
권리가 있다
노인들은 연금을 받을 권리가 있다.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
시험하다
차는 작업장에서 시험 중이다.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
전화하다
그녀는 점심시간 동안만 전화할 수 있다.
verhuizen
De buurman verhuist.
이사가다
이웃이 이사를 가고 있다.
kijken
Ze kijkt door een gat.
보다
그녀는 구멍을 통해 보고 있다.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
일어나다
무언가 나쁜 일이 일어났다.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
말문이 막히다
놀람이 그녀를 말문이 막히게 한다.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
강화하다
체조는 근육을 강화한다.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
함께 살다
그 둘은 곧 함께 살 계획이다.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
매달리다
둘 다 가지에 매달려 있다.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
달리다
그녀는 해변에서 매일 아침 달린다.