drukken
Hij drukt op de knop.
누르다
그는 버튼을 누른다.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
듣다
아이들은 그녀의 이야기를 듣는 것을 좋아한다.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
무서워하다
어둠 속에서 아이가 무서워한다.
binnenkomen
Kom binnen!
들어오다
들어와!
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
치다
불행하게도 많은 동물들이 여전히 차에 치여 있다.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
수입하다
우리는 여러 나라에서 과일을 수입한다.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
일으키다
너무 많은 사람들이 빨리 혼란을 일으킵니다.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
남겨두다
나는 매달 나중을 위해 돈을 좀 남겨두고 싶다.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
익숙해지다
아이들은 치아를 닦는 것에 익숙해져야 한다.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
분해하다
우리 아들은 모든 것을 분해한다!
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
설명하다
그녀는 그에게 그 기기가 어떻게 작동하는지 설명한다.
dragen
De ezel draagt een zware last.
운반하다
당나귀는 무거운 짐을 운반합니다.