Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
mangiare
Cosa vogliamo mangiare oggi?
eten
Wat willen we vandaag eten?
trascorrere
Lei trascorre tutto il suo tempo libero fuori.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
combattere
Gli atleti combattono l’uno contro l’altro.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
dormire
Il bambino dorme.
slapen
De baby slaapt.
dipingere
Lei ha dipinto le sue mani.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
completare
Hanno completato l’arduo compito.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
chiamare
Il ragazzo chiama il più forte possibile.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
suonare
La sua voce suona fantastica.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
esigere
Sta esigendo un risarcimento.
eisen
Hij eist compensatie.
ripetere
Lo studente ha ripetuto un anno.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
suonare
Chi ha suonato il campanello?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?