Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
perdonare
Io gli perdono i suoi debiti.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
lasciare andare
Non devi lasciare andare la presa!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
girare
Lei gira la carne.
draaien
Ze draait het vlees.
muoversi
È sano muoversi molto.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
dipingere
Ho dipinto un bel quadro per te!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
assaggiare
Il capo cuoco assaggia la zuppa.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
viaggiare
Ci piace viaggiare in Europa.
reizen
We reizen graag door Europa.
bruciare
Non dovresti bruciare i soldi.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
abituarsi
I bambini devono abituarsi a lavarsi i denti.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
studiare
Le ragazze amano studiare insieme.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
appendere
Entrambi sono appesi a un ramo.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.