Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
entregar
Nuestra hija entrega periódicos durante las vacaciones.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
patear
Les gusta patear, pero solo en fut
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
prestar atención
Hay que prestar atención a las señales de tráfico.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
limitar
Durante una dieta, tienes que limitar tu ingesta de alimentos.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
cubrir
Ha cubierto el pan con queso.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
quemar
El fuego quemará gran parte del bosque.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
mejorar
Ella quiere mejorar su figura.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
suceder
Algo malo ha sucedido.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
alojarse
Nos alojamos en un hotel barato.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
pintar
Quiero pintar mi apartamento.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
chatear
Ellos chatean entre sí.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.