Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/57574620.webp
entregar
Nuestra hija entrega periódicos durante las vacaciones.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
cms/verbs-webp/89869215.webp
patear
Les gusta patear, pero solo en fut
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
cms/verbs-webp/97784592.webp
prestar atención
Hay que prestar atención a las señales de tráfico.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
cms/verbs-webp/129244598.webp
limitar
Durante una dieta, tienes que limitar tu ingesta de alimentos.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
cms/verbs-webp/110646130.webp
cubrir
Ha cubierto el pan con queso.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
cms/verbs-webp/120978676.webp
quemar
El fuego quemará gran parte del bosque.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
cms/verbs-webp/124575915.webp
mejorar
Ella quiere mejorar su figura.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
cms/verbs-webp/116358232.webp
suceder
Algo malo ha sucedido.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
cms/verbs-webp/110401854.webp
alojarse
Nos alojamos en un hotel barato.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
cms/verbs-webp/66787660.webp
pintar
Quiero pintar mi apartamento.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
cms/verbs-webp/115113805.webp
chatear
Ellos chatean entre sí.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/105681554.webp
causar
El azúcar causa muchas enfermedades.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.