Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
huilen
Het kind huilt in het bad.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
serveren
De ober serveert het eten.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.