Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.