Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.