Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
rennen
De atleet rent.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.