Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
hernu
Die skilder wil die muurkleur hernu.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
beklemtoon
Jy kan jou oë goed met grimering beklemtoon.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
sluit
Sy sluit die gordyne.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
ontmoet
Soms ontmoet hulle in die trappehuis.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
plaasvind
Die begrafnis het eergister plaasgevind.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
trou
Die paartjie het pas getrou.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
loop stadig
Die horlosie loop ’n paar minute agter.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
verkoop
Die koopwaar word uitverkoop.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
saamwerk
Ons werk saam as ’n span.
samenwerken
We werken samen als een team.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
besmet raak
Sy het met ’n virus besmet geraak.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.