Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
spring rond
Die kind spring gelukkig rond.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
sien
Jy kan beter sien met brille.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
meng
Jy kan ’n gesonde slaai met groente meng.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
gesels
Hulle gesels met mekaar.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
uitsien na
Kinders sien altyd uit na sneeu.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
aanbied
Sy het aangebied om die blomme nat te gooi.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
haat
Die twee seuns haat mekaar.
haten
De twee jongens haten elkaar.
kom eerste
Gesondheid kom altyd eerste!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
verbind wees
Alle lande op Aarde is verbind.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.