Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
uitwerk
Dit het hierdie keer nie uitgewerk nie.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
veg
Die atlete veg teen mekaar.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
vermeerder
Die bevolking het aansienlik vermeerder.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
ritsel
Die blare ritsel onder my voete.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
verteenwoordig
Prokureurs verteenwoordig hulle kliënte in die hof.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
beskerm
Die moeder beskerm haar kind.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
kontroleer
Die tandarts kontroleer die pasiënt se tande.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
reis
Hy hou daarvan om te reis en het baie lande gesien.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
verf
Hy verf die muur wit.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
gebeur
Vreemde dinge gebeur in drome.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.