Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
verf
Die motor word blou geverf.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
kom na jou toe
Geluk kom na jou toe.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
bekend wees met
Sy is nie bekend met elektrisiteit nie.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
nodig hê
Ek’s dors, ek het water nodig!
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
veroorsaak
Te veel mense veroorsaak vinnig chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
voeg by
Sy voeg ’n bietjie melk by die koffie.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
swem
Sy swem gereeld.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
meld aan
Almal aan boord meld by die kaptein aan.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
brand
Hy het ’n lucifer gebrand.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
stuur af
Hierdie pakkie sal binnekort afgestuur word.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
uitsprei
Hy sprei sy arms wyd uit.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.