Woordenlijst

Leer werkwoorden – Afrikaans

cms/verbs-webp/60395424.webp
spring rond
Die kind spring gelukkig rond.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/114993311.webp
sien
Jy kan beter sien met brille.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
cms/verbs-webp/120200094.webp
meng
Jy kan ’n gesonde slaai met groente meng.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
cms/verbs-webp/115113805.webp
gesels
Hulle gesels met mekaar.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/75508285.webp
uitsien na
Kinders sien altyd uit na sneeu.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
cms/verbs-webp/59250506.webp
aanbied
Sy het aangebied om die blomme nat te gooi.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
cms/verbs-webp/120259827.webp
kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
cms/verbs-webp/123213401.webp
haat
Die twee seuns haat mekaar.
haten
De twee jongens haten elkaar.
cms/verbs-webp/124046652.webp
kom eerste
Gesondheid kom altyd eerste!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
cms/verbs-webp/107273862.webp
verbind wees
Alle lande op Aarde is verbind.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
cms/verbs-webp/96061755.webp
dien
Die sjef dien ons vandag self.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.