Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
haten
De twee jongens haten elkaar.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
beginnen
De soldaten beginnen.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.